Kon de Kerk publicatie verhinderen?

Stel, dat wij hier onder Romeinse omstandigheden leefden. Ik schrijf een boek. Dat gebeurde met de hand op papyrus. Er is dus één exemplaar. Ik kan niet naar een uitgever gaan. Er is in de Oudheid maar één uitgeverij geweest, die van Atticus. Deze vriend van Cicero had een aantal slaven die konden lezen en schrijven. Eén dicteerde, de rest schreef. Je kreeg dan evenveel exemplaren als er slaven geschreven hadden. Maar deze uitgeverij heeft maar kort bestaan. In de christelijke tijd bestond zoiets niet.
“Uit-geven” betekende toen “uit handen geven”. Wat is dat “uit handen geven”?

Ik heb, zoals gezegd, één exemplaar van mijn boek. Ik zoek mijn buurman Ludo op, die ook christen is. Ik zeg: “Ik heb een boek geschreven. Wil je het lezen?” “Ja”, zegt Ludo. Ik “geef” dus mijn exemplaar “uit handen”, aan hem. Hij leest het en zegt vervolgens: “Een goed boek. Dat wil ik ook hebben.” Mijn antwoord is: “Schrijf maar over.”
Ludo schrijft een aantal dagen. Zijn boek is gereed. Hij geeft mij mijn exemplaar terug. Er zijn dan in totaal twee exemplaren.
Ludo ziet zijn broer Romain. Die leest en schrijft over. Er zijn drie exemplaren. Ik zie intussen Elvira. Zij krijgt mijn exemplaar te lezen en ze maakt naderhand haar eigen exemplaar. Er zijn vier exemplaren. En zo gaat het door.

Het is duidelijk, dat de “uitgave” van een boek een volledig private aangelegenheid is. Het overschrijven gebeurt bij iemand thuis.
Het is dan ook onzin te beweren, dat de Kerk de productie van bepaalde boeken kon tegenhouden. Als bepaalde boeken minder vaak tot ons zijn geraakt, betekent dat, dat minder mensen prijs stelden op het bezitten van die boeken.

Bestond “de” Kerk toen?

Trouwens “de” Kerk – wat was dat toen? Was er een centrale instantie? Nee. Waren er regelmatige overkoepelende vergaderingen? Nee. Het Nieuwe Testament kent alleen een plaatselijke organisatie per kerk onder opzieners of oudsten. De ene grotere vergadering, die van Handelingen 15, werd georganiseerd om een zeer specifiek probleem op te lossen en dan nog was het alleen een gezamenlijk initiatief van de kerk van Antiochië en die van Jeruzalem.
In de generatie na het Nieuwe Testament kennen we één aanduiding over een eventueel provinciaal gezag in de Kerk. Ignatius, die stierf rond 110, noemt zich in zijn brief aan de Romeinen (hoofdstuk 2) de opziener van Syrië (τὸν ἐπίσκοπον Συρίας).
Wat is een episkopos (ἐπίσκοπος)? Het is het Nieuwtestamentische woord voor opziener, maar later ook voor bisschop. Het is dan de vraag, of je de vermelding bij Ignatius moet interpreteren als een zeer vroeg voorkomen van “bisschop van Syrië” of als “die opziener van helemaal daarachter uit Syrië” zonder specificatie van de plaats waar hij werkte. In Ignatius’ tijd vinden we verder geen provinciale bisschoppen, maar wel zijn er per gemeente meerdere oudsten onder één opziener. Dat is een verschil met de toestand zoals we die kennen in het Nieuwe Testament. En dat is natuurlijk wel een eerste stap naar hiërarchie.

Behandeling van vraagstukken over ketters gebeurde nog in Augustinus’ tijd (354-430) normaal gezien op regionale kerkvergaderingen. Algemene concilies kwamen zelden voor.

Maar wat dan met dat Concilie van Nicea?

“Op het Concilie van Nicea heeft de Kerk de canon vastgesteld en ineens bepaalde Bijbelboeken uit de canon gehouden.” Zo lezen we herhaaldelijk, wanneer men boeken als het Evangelie van “Thomas” en het Evangelie van “Judas” in de Bijbel zou willen zien. Klopt dat?

Even tussendoor. Ik schrijf de namen van de schrijvers van de twee genoemde nep-evangelies tussen “ “, omdat het vaststaat, dat de bekende Thomas en Judas de schrijver niet kunnen zijn. Ik kom hieronder (1) op deze kwestie terug om hier het betoog niet te onderbreken.

De canon is de lijst van boeken die in de Bijbel thuishoren. Door de eeuwen heen zijn dat de boeken die gezag hebben, waarmee je dus de leer en de regels van het gedrag mag vaststellen. Het zijn de boeken waarvan we belijden, dat de schrijvers ervan door God speciaal geïnspireerd zijn en die dus foutloos zijn.
Het Concilie van Nicea is in 325 door keizer Constantijn samengeroepen, omdat er grote onenigheid was over de vraag, of Jezus behalve mens ook God is. Godsdienst was vanouds de lijm van het Romeinse Rijk. Het christendom was staatsgodsdienst geworden en nu zag Constantijn, dat die lijm minder efficiënt kleefde door die onenigheid. Constantijn heeft toen na veel discussie ingegrepen in de debatten en één van de partijen gelijk gegeven – de juiste partij, zeggen wij. Het concilie heeft ook verdere kwesties behandeld, maar niet de canon van het Nieuwe Testament (2).

Laten we dus de situatie in de eerste eeuwen van het christendom bekijken.

Hoe was de situatie dan?

a. De Apostolische Vaders
De schrijvers van de geschriften van de eerste generatie na het Nieuwe Testament zijn bekend onder de naam Apostolische Vaders. Ik geef eerst een overzicht van het aantal keren, dat de Apostolische Vaders gebruik gemaakt hebben van Nieuwtestamentische geschriften en geschriften die niet tot het Nieuwe Testament behoren uit dezelfde tijd (3). Ik kies daarvoor bij wijze van voorbeeld de Corinthiërsbrief van Clemens en de brief van Polycarpus. Beiden zijn leerlingen van de apostelen. Mij valt op, hoe goed zij het Nieuwe Testament kenden. Ook dergelijke lijsten over het gebruik van het Oude Testament laten zien, dat men een voorbeeld was voor ons inzake kennis van de Bijbel.

Clemens aan de Corinthiërs

Mattheüs 6x
Marcus 2x
Lucas 5x,
Johannes 1x
Handelingen 5x
Romeinen 12x
1 Corinthiërs 12x
2 Corinthiërs 3x
Galaten 1x
Efesiërs 2x
Filippenzen 2x
Colossenzen 1x
1 Thessalonicenzen 1x
1 Timotheüs 3x
2 Timotheüs 1x
Titus 3x
Hebreeën 16x
Jacobus 4x
1 Petrus 3x
2 Petrus 2x
1 Johannes 2x
Openbaring 1x
Onbekend 4x

Polycarpus (één niet te lange brief!!)

Mattheüs 7x
Marcus 2x
Lucas 4x
Johannes 4x
Handelingen 7x
Romeinen 6x
1 Corinthiërs 6x
2 Corinthiërs 5x
Galaten 6x
Efesiërs 6x,
Filippenzen 6x
Colossenzen 5x
1 Thessalonicenzen 2x
2 Thessalonicenzen 2x
1 Timotheüs 8x
2 Timotheüs 4x
Titus 1x
Hebreeën 3x
Jacobus 1x
1 Petrus 16x
2 Petrus 1x
1 Johannes 3x
2 Johannes 1x

We zien, dat bij Clemens 2 Thessalonicenzen, Filemon, 2 en 3 Johannes niet gebruikt worden.
Polycarpus gebruikt Filemon, 3 Johannes en de Openbaring niet.
Dat kan toevallig zijn, omdat het Bijbelboek niets zei over de behandelde onderwerpen. Het kan ook zijn, omdat het betreffende Bijbelboek niet erkend werd.

Clemens gebruikt 4x een geschrift dat wij niet kunnen thuisbrengen. Het loont de moeite van alle Apostolische Vaders na te gaan, hoe vaak zij zulke geschriften gebruiken die het Nieuwe Testament niet gehaald hebben.

Citaten en toespelingen buiten de canonieke boeken

Didachè: 1
“Barnabas”: 2
Clemens, Corinthiërsbrief: 4
2 Clemens: 5
Ignatius: 1
Polycarpus: 0
Martyrium van Polycarpus: 0
Ad Diognetum: 0

We kunnen concluderen, dat het gebruik van boeken buiten ons Nieuwe Testament zeer spaarzaam was, zeker als we zien, hoe vaak deze schrijvers het Nieuwe Testament wel citeren. Een vergelijking met canonlijsten is de moeite waard.

b. Canonlijsten

Er bestaat een interessant boekje van professor Grosheide met opsommingen van de Nieuwtestamentische canon zoals we die in de eerste eeuwen van het christendom vinden (4). Hieronder geef ik aan, welke Bijbelboeken in welk document of bij welke schrijver in de lijst niet opgenomen zijn. Uitvoerig behandelen, wat de documenten precies zijn, is in dit verband overbodig. De besluiten van de concilies van Hippo en Carthago over de canon, die Grosheide ook vermeldt, zijn onzeker overgeleverd. Ik laat die dus weg.

Het Muratoriaans fragment (2e eeuw)
Het begin is beschadigd. Daarin moeten Mattheüs en Marcus gestaan hebben.
Hebreeën wordt niet genoemd. Er worden maar 2 brieven van Johannes genoemd. Ook aanvaard zijn de Openbaring van Johannes en die van Petrus, hoewel sommigen die laatste afwijzen. Merkwaardigerwijs staat ook de Wijsheid van Salomo in de lijst, hoewel dit geschrift niet Nieuwtestamentisch is. Verder wordt een hele reeks ketterse geschriften afgekeurd.

Origenes (185-254), zoals vermeld in Eusebius’ Kerkgeschiedenis VI 25. 3 vv.
Hij erkent de gewone 4 evangeliën en brieven van Paulus zonder deze op te sommen. Ook noemt hij de Openbaring, de Handelingen en één brief van Johannes. Verder bespreekt hij het auteurschap van Hebreeën en bewondert hij de inhoud.

Eusebius (ca. 265-340) in zijn Kerkgeschiedenis III 25
Als erkende boeken noemt hij de vier evangeliën, Handelingen, Paulus’ brieven zonder ze op te sommen, 1 Johannes, 1 Petrus en met voorbehoud de Openbaring. Als omstreden noemt hij Jacobus, Judas, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes. Dan heeft hij nog een reeks af te wijzen boeken, waarbij hij aarzelt om ook daarin de Openbaring op te nemen..

Cyrillus van Jeruzalem (ca. 315-386)
Deze, overigens interessante kerkvader vermeldt bijna alle bijbelboeken zoals wij ze kennen. Hij heeft het over 4 evangeliën en 14 brieven van Paulus en 7 algemene brieven. Dit komt inderdaad overeen met “onze” aantallen, als we Hebreeën onder Paulus’ brieven tellen. De Openbaring wordt niet vermeld.

Codex Claromontanus
Dit handschrift van de brieven van Paulus heeft tussen twee brieven een canonlijst. Het handschrift dateert uit de 6e eeuw, maar de lijst zou van rond 300 dateren.
De lijst noemt 1en 2 Thessalonicenzen en Hebreeën niet. Wel zijn ook aanvaard de brief van Barnabas (die niet van de “echte” Barnabas kan zijn), de Herder van Hermas (ook vaak geteld bij de Apostolische Vaders), de Handelingen van Paulus en de Openbaring van Petrus

Een Afrikaanse canon die in twee handschriften voorkomt en van rond 360 zou dateren, noemt Hebreeën, Jacobus en Judas niet en erkent 13 brieven van Paulus, maar somt ze niet op.

Concilie van Laodicea c.360
De lijst die dit concilie erkende, noemt de Openbaring niet

Athanasius (295-373) noemt alle boeken van ons Nieuwe Testament

Gregorius van Nazianze (ca.325-390) noemt de Openbaring niet en beperkt zich bij de brieven van Paulus tot het noemen van 14 als aantal.

Amphilochius (ca.340-400) vermeldt, dat sommigen Hebreeën, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes, Judas en de Openbaring onecht noemen.

Augustinus 354-430 noemt alle boeken van ons Nieuwe Testament

Decreet van Gelasius noemt alle boeken van ons Nieuwe Testament

Ik noem nog twee handschriften die Grosheide niet gebruikt.

De Sinaïticus, begin 4e eeuw, bevat het hele Nieuwe Testament plus de brief van “Barnabas” en een deel van de Herder van Hermas.

De Alexandrinus, begin 5e eeuw, bevat het hele Nieuwe Testament plus twee brieven van Clemens. Oorspronkelijk volgden nog de Psalmen van Salomo, zoals blijkt uit de index, maar daarin is er een spatie voor het vermelden van deze Psalmen. Men vond ze kennelijk van minder waarde dan de rest van de geschriften.

Conclusie: Al wordt er hier en daar getwijfeld over een beperkt aantal boeken, toch is er een natuurlijke ontwikkeling naar ons Nieuwe Testament. Boeken die niet in ons Nieuwe Testament opgenomen zijn, worden zelden erkend en zeker geen gnostieke geschriften.

c. Intermezzo. Het karakter van de evangeliën die niet in het Nieuwe Testament zijn terecht gekomen.

Een interessante lijst van valse evangeliën is te vinden in Los Evangelios Apocrífos van De Santos Otero (5). Ook wie geen Spaans leest, zou eens moeten kijken naar de index op p. VII-VIII. Er is daar heel duidelijk, dat heel wat “evangeliën” op naam werden gezet van apostelen. Hun naam is er alleen maar op geplakt om de werkjes gemakkelijker aanvaardbaar te maken.
De eerste zinnen van het zogenaamde Evangelie van Thomas luiden

Dit zijn de verborgen woorden die de levende Jezus sprak en die Didymus Thomas opgeschreven heeft. En Hij zei: “Ieder die de betekenis van deze woorden vindt, zal de dood niet smaken”.

Het oorspronkelijke christendom, zoals we dat vinden in het Nieuwe Testament, maakt de redding afhankelijk van het geloof. Hier wordt zij afhankelijk gemaakt van inzicht krijgen in woorden van Jezus die verborgen worden gehouden.
Het zogezegde Evangelie van Thomas kan dus niet van Thomas zijn.
In het Evangelie van Judas wordt Judas tot de belangrijkste apostel gemaakt. Te zot!

Verder is er een belangrijk deel van een website gewijd aan de Nag Hammadi-geschriften (6). Dit is een uitgebreide collectie van gnostieke en docetistische (7) geschriften. Het zijn met name deze laatste soorten geschriften die sommigen in onze tijd graag in het Nieuwe Testament hadden gezien. Wat Tertullianus schrijft over dergelijke ketterijen (zie punt e hieronder), volstaat om te zien, dat zij niet het christendom van Jezus’ apostelen brachten.

d. Paulus en de gnosis

Ik schrijf hier gnosis en niet gnostiek. Het is gebruikelijk om eerst over gnostiek te spreken wanneer in de tweede eeuw de belangrijke schrijvers uit de gnostiek hun systemen uiteengezet hebben. Daarvóór circuleerden al dergelijke ideeën. Die noemt men gnosis. Philo van Alexandrië (1e eeuw na Chr.) bracht ze in het Jodendom. Paulus noemt de gnosis in een van zijn brieven. Gnosis betekent kennis. Dat het om diepere kennis ging, leerde ons al het citaat uit het Evangelie van “Thomas”.

O Timoteus, let op wat u is toevertrouwd, houd u buiten het bereik van de onheilige, holle klanken en de tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde gnosis/kennis.
1 Timoteüs 6: 20

De eerste Timotheüsbrief werd geschreven in 64 (8). De ideeën van de gnosis waren toen dus al een aanval op het christendom begonnen. En de genoemde brief was niet het enige Nieuwtestamentische geschrift dat zich tegen de gnosis richt.

Paulus maakt heel duidelijk, dat er in het christendom geen verborgen leer bestaat:

Van de gemeente ben ik een dienaar geworden in overeenstemming met Gods opdracht die mij tegenover u toevertrouwd is om Gods woord volledig te maken, het geheim, dat verborgen is geweest vanaf de eeuwigheid en voor de mensengeslachten.
Maar nu is het bekendgemaakt aan zijn heiligen. Aan hen heeft God willen laten weten, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van dat geheim onder de volken dat is: Christus in u, de hoop op de heerlijkheid. Dit geheim maken wij bekend door iedereen te waarschuwen en iedereen te leren in alle wijsheid om iedereen volmaakt te maken in Christus.
Colossenzen 1: 25-28

Natuurlijk, zegt Paulus, was er een geheim, maar dat is bekend gemaakt. Dat geheim is geen diepzinnige leer, maar Christus. En dat “geheim” wordt bekend gemaakt aan iedereen in alle wijsheid. Iedereen wordt zo volmaakt – en dat woord betekent in de gnosis ingewijd. De gnosis noemde namelijk diegenen die in de verborgen leer ingewijd waren en die gevat hadden, de volmaakten. Paulus zegt dus, dat iedereen door de christelijke leer te aanvaarden ingewijde wordt. Geen geheime leer dus.
Lang geleden, rond 1980, schreef ik een artikel (9) over bestrijding van de vroege gnosis in de brief aan de Colossenzen. In dit artikel blijkt, dat Paulus de gnosis met veel humor bestrijdt. Ook is in dat artikel (in het gedeelte b) in het kort beschreven, waar de gnosis vandaan kwam en inhield.
Intussen zien we inderdaad, dat de gnosis toen probeerde in het christendom binnen te dringen. Philo van Alexandrië had haar toen al al aan de Joodse godsdienst aangepast.

e. Tertullianus over vroege ketterijen

Tertullianus (ca. 200) was een opvallende kerkvader. Hij was een jurist, een echte intellectueel, die heel scherp kon redeneren. Van hem zijn heel wat geschriften over. Voor ons is nu van belang de praescriptione haereticorum. Dat betekent Over de praescriptio van de ketters. Wat is een praescriptio?
Dat is een juridische argumentatie over een beperkt punt dat met een aanklacht verband hield, met de bedoeling een totale behandeling in een proces overbodig te maken. Praescriptio kon gaan over verlopen termijnen. Was de termijn voor het voeren van het proces voorbij, dan was het proces overbodig.
Tertullianus gebruikt een dergelijk procédé voor de gnostiek en de ketterij van Marcion. Zijn betoog komt erop neer, dat alleen al het feit, dat het “normale” christendom eerder was, de ketters ongeloofwaardig maakt. Een weerlegging van hun ideeën vindt hij dan ook overbodig. Heel vaak maakt Tertullianus duidelijk, dat de gnostiek en Marcion bestaande geschriften die de apostolische leer brengen (ons Nieuwe Testament dus), veranderd of afgekeurd hebben. Die geschriften waren er dus al, toen de gnostieke leiders en Marcion die afkeurden of wilden veranderen.
Dit betekent, dat door Tertullianus aangetoond kon worden, dat de gnostiek in het christendom doorgewerkt had, nadat de apostelen door hun prediking en door hun geschriften het fundament voor de leer van de kerk hadden gelegd. Rond 200 leefde men kort genoeg na de feiten om iedereen die dat wilde, toe te laten de door Tertullianus gebruikte feiten te controleren.

f. “Parthen, Meden, Elamieten ….” en onze garantie tegen nieuwe leer

Bekend is de aanwezigheid van mensen uit heel de destijds bekende wereld op de pinksterdag van de uitstorting van de Heilige Geest:

En er waren Joden woonachtig in Jeruzalem …… Parthen, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Cappadocië, Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië; Egypte en de streken van Libye bij Cyrene en de Romeinen die er woonden, Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren ….
Handelingen 2: 5, 9-11

Het Pinksterfeest één van de drie feesten waarop de Joden geacht werden naar Jeruzalem te komen (Deuteronomium 16: 16). Aan de andere kant staat er, dat de mensen over wie het gaat, in Jeruzalem woonden. Het woordenboek op het Griekse Nieuwe Testament van Bauer (10) geeft als betekenis voor het Griekse woord dat daar gebruikt wordt, κατοικέω (katoikeoo), nergens tijdelijk verblijven. Het bekende woordenboek op het heidense én het christelijke Grieks van Liddell, Scott en Jones (11) ook niet. Maar …..

° er staat wel, zeer letterlijk vertaald, de Mesopotamië, Judea en Cappadocië, Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libye bij Cyrene bewonenden.
Dat suggereert, dat zij dáár woonden en inderdaad tijdelijk verbleven in Jeruzalem.

° het zou vreemd zijn, als niemand van degenen die tijdelijk in Jeruzalem verbleven om het feest te bezoeken, bij de apostelen aanwezig was.

° ook wie vanuit al die streken in Jeruzalem woonde, had ginds contacten en met die contacten werden (uiteraard moeilijker dan nu) gegevens uitgewisseld.

Dit alles betekent, dat alles wat de apostelen vertelden, snel naar al de genoemde streken overgebriefd werd. Zouden er ooit ergens belangrijke nieuwe dingen aan de leer toegevoegd zijn, dan zou er “wereldwijd” protest opsteken. Dit is één van onze garanties, dat de leer zoals die in het Nieuwe Testament terecht is gekomen, de oorspronkelijke is.

Conclusie en Bijbelse fundering

De canon van het Nieuwe Testament is geleidelijk tot stand gekomen. Het is duidelijk niet zo, dat eerst in de 4e eeuw plotseling een lijst van gezaghebbende bijbelboeken werd opgesteld. Zowel bij de christelijke schrijvers uit de tijd ervoor als in de handschriften van het Nieuwe Testament zijn afwijkingen vergeleken met wat wij nu als boeken van het Nieuwe Testament aanvaarden, zeldzaam en minimaal.

Toch is er een probleem. Leerlingen van Luther en Calvijn hebben terecht moeite om geloofspunten buiten de Bijbel om te funderen. Zij funderen zich op de Bijbel en niet op de kerkelijke traditie. Nu zou uitgerekend de samenstelling van die Bijbel niet op de Bijbel, maar op de traditie gebaseerd zijn !!

Maar …… in het Johannesevangelie bevindt zich een tekst die vaak niet scherp wordt gelezen:

Ik heb u nog veel te zeggen, maar ge kunt het nu niet dragen. Maar wanneer Hij komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u de weg wijzen in de volle waarheid.
Johannes 16: 12-13

De vraag is, tot wie Jezus deze woorden richt. Natuurlijk spreekt Hij rechtstreeks tot de twaalf, maar wil Hij, zoals vaker gebeurt, die woorden ook laten gelden voor de gelovigen in het algemeen?
Ik meen van niet, want je kunt een willekeurige kerk kiezen, maar geen enkele wordt of werd geleid tot de volle waarheid. De woorden gelden dus de leerlingen alleen en dat is ook logisch. Zij kunnen voor Jezus dood de reikwijdte niet verstaan van Jezus nog te zeggen zou hebben en zij zouden de toekomstige gelovigen moeten inlichten over wat Jezus bedoelde. Jezus geeft hun dus de garantie, dat hun prediking door de Heilige Geest de volle waarheid zou brengen.

In het verlengde van de prediking van de apostelen ligt het Nieuwe Testament. Dit is de schriftelijke neerslag van wat de apostelen gebracht hebben. Dit zou ook het fundament worden van het onderwijs in de christelijke kerk na de tijd van de apostelen.
We leren ook niet voor niets, dat de geschriften van het Nieuwe Testament geïnspireerd zijn en daardoor foutloos zijn.

We kunnen dus veilig aannemen, dat de Heilige Geest niet alleen de apostelen in de volle waarheid heeft geleid, maar tevens de totstandkoming van de canon van het Nieuwe Testament met dezelfde buitengewone garanties heeft omringd. Daarmee is de samenstelling van het Nieuwe Testament niet gefundeerd op de traditie, maar op een bijzondere daad van God waarover het Nieuwe Testament zelf een belofte geeft.

1 In het gedeelte Intermezzo. Het karakter van de evangeliën die niet in het Nieuwe Testament zijn terecht gekomen.
2 De besluiten van dit concilie zijn te vinden op http://www.documentacatholicaomnia.eu/03d/0325-0325,_Concilium_Nicaenum_I,_The_Canons_[Schaff],_EN.pdf
3 Ik gebruik hiervoor de opgaven in de uitgave van de Griekse tekst van de Apostolische Vaders door Funk en Bihlmeyer, Die apostolischen Väter, Tübingen 19562.
4 F.W. Grosheide, Some early Lists of the Books of the New Testament, Leiden 1948
5 A. de Santos Otero, Los evangelios apocrífos, Madrid 1956, p.VII-VIII https://ia802305.us.archive.org/2/items/losevangeliosapo00sant/losevangeliosapo00sant.pdf
6 http://www.gnosis.org/naghamm/nhl.html
7 Het docetisme is een zijtak van de gnosis/gnostiek, die beweerde, dat Jezus slechts schijnbaar gekruisigd was.
8 Zie mijn studie https://old.logos.nl/de-datering-van-paulus/
9 Zie https://www.academia.edu/35303228/Paulus_en_de_gnostiek_uit_Colosse
Enkele zaken zou ik nu anders schrijven (bijvoorbeeld over plèrooma. Dat is geen aanduiding voor de godheid in de gnosis, maar voor heel de wereld van de goden). Zulk een behoefte aan correctie doet niet tekort aan de overgrote rest van het artikel.
10 W. Bauer, Wörterbuch zu den Schriften des Neuen Testaments und der übrigen urchristlichen Literatur, Berlin-New York 1971
11 H.G. Liddell, R. Scott, H.S. Jones, A Greek-English Lexicon, Oxford 19619

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. A. Dirkzwager studeerde klassieke filologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Het hoofdvak was Grieks, de bijvakken Oude Geschiedenis en Latijn. Van de Griekse en Latijnse teksten die hij te bestuderen had, stamde 40% van christelijke auteurs. Zijn doctoraatsthesis was een inhoudelijke commentaar op de beschrijving van de Romeinse provincie Gallia Narbonensis door de Griekse aardrijkskundige Strabo. De titel was 'Strabo über Gallia Narbonensis', uitgegeven door Brill, Leiden 1975. Hij was werkzaam als leraar in Nederland en Vlaanderen, later als onderwijsinspecteur. Ook gaf hij colleges exegese Nieuwe Testament en hermeneutiek aan de Evangelische Theologische Faculteit van Heverlee. De exegetische kolom van 1 Timotheus, 2 Timotheus, Filemon en Judas in de Studiebijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek is van zijn hand, na retouches door de redactie.